Ernst August Schwebel

Ernst August Schwebel (Winningen, 1886 - Marburg, 1955) was een Duits jurist die tijdens de Tweede Wereldoorlog Beauftragte was van Seyss-Inquart voor de provincie Zuid-Holland en voor Den Haag.

Schwebel studeerde rechten en nam deel aan de Eerste Wereldoorlog. Van 1919 tot 1924 was hij Landrat in Meisenheim en van 1924 tot 1934 in Marburg. Van 1930 tot 1933 was hij lid van de Konservative Volkspartei. Schwebel was lid van de Evangelische kerk.

Vanaf 1934 was Schwebel bestuursrechter. Hij werd ook lid van de NSDAP. Na de Duitse inval in Nederland was Schwebel vanaf juni 1940 Beauftragte van Seyss-Inquart. In deze functie moest hij op de hoogte worden gebracht van belangrijke beslissingen in Zuid-Holland en Den Haag. Ook kreeg hij de opdracht van Seyss-Inquart de ontruiming en sloop van grote delen van Den Haag voor de aanleg van de Atlantikwall in goede banen te leiden.

Van 1945 tot 1947 was Schwebel in geallieerde gevangenschap en moest in 1946 getuigen bij de processen van Neurenberg.
Bijlage April 1945.
Friedrich Plutzar

Noem het ironie van de geschiedenis dat het niet de Duitsers zijn geweest die in Nederland de meeste verwoestingen hebben aangericht, maar naarmate de oorlog vorderde de geallieerden. Rotterdam, Middelburg en de streek rondom Rhenen hadden het in mei 1940 zwaar te verduren gehad. Daar waren verscheidene belangrijke monumentale gebouwen verloren gegaan of ernstig beschadigd. Meteen in het eerste bezettingsjaar werd herstel energiek ter hand genomen, en - het moet gezegd - daarbij werd in veel gevallen belangrijke ambtelijke steun ondervonden van Duitse autoriteiten.

Opmerkelijk is de positieve rol die de Oostenrijkse kunsthistoricus, dr. Friedrich Plutzar, van het begin af aan speelde. Deze voormalige museumdirecteur uit Wenen, getrouwd met een Nederlandse vrouw, bekleedde bij het Rijkscommissariaat de functie van Leiter der Hauptabteilung Wissenschaft, Volksbindung und Kulturpflege. Menigmaal bemiddelde hij in conflicten, en nagenoeg altijd naar vermogen ten gunste van de Nederlandse monumentenzorgers. Tot in het laatste oorlogsjaar, toen langzamerhand de chaos compleet was, de verbindingen stagneerden en monumentenbeschermers handen te kort kwamen om te redden wat er nog te redden viel, bleef Plutzar voor Kalf en Van der Haagen een waardevolle toeverlaat.

Akkoord van Achterveld.



Het Akkoord van Achterveld was een overeenkomst tussen de geallieerden en de bezettende Duitse autoriteiten om uitgebreide voedselhulp voor verhongerend westelijk Nederland toe te staan. Het Akkoord vormde de aanloop tot de capitulatie van de Duitsers.

Het werd bereikt te Achterveld op 28 en 30 april 1945. Aan de onderhandelingen namen officieren met minimaal de rang van generaal uit de Verenigde Staten, Canada, Verenigd Koninkrijk, Rusland en Nederland deel.

Het nevendoel van de bijeenkomst was wat betreft de geallieerden om de onwillige Duitsers tot capitulatie te bewegen. Het akkoord wordt ook wel de Voedselconferentie van Achterveld genoemd. Het leidde tot de opzet en uitvoering van Operation Manna, de naam die de geallieerden kozen voor de voedseldroppings, en operatie Faust, voor voedseltransport over de weg.

Aan het einde van de hongerwinter vonden in de toemmalige St.-Josephschool, op de Jan van Arkelweg 6, de onderhandelingen tussen de hoogste geallieerde generaals en de hoogste Duitse functionarissen over de capitulatie en voedseldroppings voor hongerend en koulijdend West-Nederland plaats. Daaraan waren meestal in Den Haag uitvoerige besprekingen op ambtelijk niveau voorafgegaan tussen hogergeplaatste Duitsers, onder wie gouverneur Seyss-Inquart, Generalsekretär Wimmer met onder andere het College van Vertrouwensmannen, zoals Drees, die direct met de Nederlandse regering in Londen in verbinding stonden.

Uiteindelijk werd er tussen geallieerden en Duitsers afgesproken dat er een ontmoeting zou komen vlak bij de frontlijn achter Amersfoort; dat werd het dorpje Achterveld. Het ging om twee bijeenkomsten: op zaterdag 28 en maandag 30 april 1945 als resultaat van een voorstel van Hitlers stadhouder in Nederland, Seyss-Inquart. Deze wilde afzien van vernielingen, executies en inundaties in West-Nederland en voedseldroppings toestaan, mits de geallieerden de Randstad niet zouden aanvallen. De geallieerden wilden daar zeker aan voldoen, omdat zij steeds al bezwaren hadden gehad tegen een militaire verovering van de Randstad vanwege de burgerdoden die dat zou kosten. Wel was via de Nederlandse regering en met name premier Gerbrandy steeds meer druk op Churchill uitgeoefend om de Nederlandse hongersnood te lenigen. Churchill steunde dat en gaf een dringend verzoek door aan de geallieerde opperbevelhebber, generaal Eisenhower, die dit weer doorgaf aan generaal Bedell Smith.

De geallieerden wensten daarom meer droppings met vliegtuigen, en ook aanvoer met schepen en vrachtwagens; bovendien moesten de gesprekken over de Duitse capitulatie beginnen.

Er was eerst een voorbereidende bijeenkomst op zaterdag 28 april, waaraan alleen de Duitse generaal Schwebel deelnam plus een Duitse ambtenaar. Op maandag 30 april kwam Seyss-Inquart met de generaals Schwebel en Reichelt (chef-staf van de Duitse militaire bevelhebber over bezet Nederland generaal Blaskowitz), generalkommissar Friedrich Wimmer en ambtenaar Liese (van de Liese-Aktion) en zeven hoge Nederlandse ambtenaren, onder wie secretaris-generaal Hans Hirschfeld en de hoge ambtenaar Louwes, die over voedseldistributie gingen. Prins Bernhard nam ook deel en er waren twee Russische waarnemers.

Onder leiding van luitenant-generaal Walter Bedell Smith, Amerikaan, vertegenwoordiger van generaal Eisenhower, namen de volgende generaals aan de onderhandelingen deel:

    
Harry Crerar, de opperbevelhebber van het Canadese legerkorps
    Francis de Guingand, Brit, chef-staf van Montgomery
    Alexander Galloway, Brit, van Montgomery's 21st Army Group
    Andrew Geddes, Brits RAF air-commodore, belangrijk organisator van de voedseldropping waaronder die van
    Operatie Manna op 29 april 1945
    Charles Foulkes, de Canadese bevelhebber in Nederland, die op 5 mei 1945 de capitulatie van de Duitsers in
    Wageningen in ontvangst nam
    Hugh Webb Faulkner, Brits schout-bij-nacht
    George Kitching, Canadees, vice-chef-staf van generaal Crerar
    Kenneth Strong, Brit, uit Reims, chef van de inlichtingenafdeling van het geallieerde hoofdkwartier SHAEF
   Iwan Susloparow, Rus, namens de Sovjet-Unie
    Edgar Williams, Brit, chef-staf inlichtingen van Montgomery.

Daarnaast namen volgens de plaquette in Achterveld nog deel de officieren kapitein Gooding, mogelijk brigadegeneraal Galbride, lt-kol P.H. Tedman (Canadees), lt-kol J. Weidemann (Can.), kol. I. Zenkovitsch (SU).

Er werd niet alleen afgesproken dat er verruimde voedseltransporten zouden plaatsvinden, maar ook werden er regelingen getroffen voor het openstellen van het gehele luchtruim boven Nederland plus het vrijmaken van de Nieuwe Waterweg en de waterweg via Dordrecht en dat vanuit het dan geneutraliseerde Rhenen per dag 1000 ton levensmiddelen over de weg aangevoerd zou worden. De relatieve zwaarte van de delegatie van geallieerde zijde was bedoeld om meteen de capitulatie te regelen, wat echter niet geheel lukte.

Bedell Smith werd tijdens de onderhandelingen kwaad op Seyss-Inquart toen deze koppig deed. Hij zei toen Seyss-Inquart niet over een Nederlandse capitulatie wilde spreken: "En als u door uw koppigheid nog meer verliezen aan mensenlevens veroorzaakt bij de geallieerde troepen of de Nederlandse burgers, zult u uw straf moeten ondergaan, en u weet wat dat zal betekenen. U zult worden opgehangen." - "Dat laat me koud", zei Seyss-Inquart. "Dat zal het inderdaad", riposteerde Bedell Smith. Na het overleg trachtte generaal Schwebel buiten Seyss-Inquart alsnog over te halen toch in te gaan op de onderhandelingen over capitulatie, en ging terug naar Bedell Smith die er welwillend tegenover stond.

Prins Bernhard wilde als commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten dat Bedell Smith met de Duitsers de vrijlating van Nederlandse politieke gevangen zou bespreken, maar dat wilde Bedell Smith niet, omdat hij over een algemene capitulatie wilde spreken met de Duitsers. De prins kreeg bij aankomst bij de school bloemen voor prinses Juliana, maar hij was vergeten dat zij op die dag jarig was. Hij bracht sloffen sigaretten en een fles gin mee, die hij uitdeelde aan de Nederlandse delegatieleden.
Aankomst onderhandelaars bij de school in Achterveld.
Louwes
Reichert
St. Jozefschool, Achterveld, 30 april 1945.