Vervolg van het verhaal van een code expert bij SOE over N-Section.
Op 29 november 1942 instrueerde de Nederlandse sectie TRUMPET (Jordaan) om AKKIE (Andringa) te vertellen dat hij contact moest opnemen met VINUS (Levinus van Loon) op een adres in Amsterdam. AKKIE moest VINUS vragen om hem voor te stellen aan leden van het Nederlandse Verzetscomité, zodat zij een radioverbinding met Londen konden opzetten. In het bericht werd ook verwezen naar een kleine foto die AKKIE aan VINUS moest laten zien als bewijs van zijn identiteit. TRUMPET bevestigde aan Londen dat hij deze instructies aan AKKIE had doorgegeven.
Op 6 december 1942 stuurde TRUMPET (Jordaan) een bericht waarin stond dat AKKIE (Andringa) de foto aan Vinus had laten zien, maar dat Vinus weigerde hem aan het Verzetscomité voor te stellen totdat hij verder bewijs had ontvangen van AKKIE’s legitimiteit. Het bewijs dat hij eiste, was dat de BBC tijdens het Radio Oranje-programma de naam zou uitzenden waarmee VINUS zijn op één na laatste brief aan Londen had ondertekend. De uitzending moest binnen achtenveertig uur plaatsvinden. De Nederlandse sectie antwoordde dat de uitzending zou plaatsvinden zoals VINUS had verzocht.
Ik maakte een aantekening in de samenvatting om aan Nicholls te vragen of de signalendirectie enige bevoegdheid had over de berichten die openlijk werden uitgezonden via Radio Oranje.
Op 4 december 1942 werd een lang bericht ontvangen van Jambroes waarin hij meldde dat meer dan 1500 man in opleiding waren in zijn verschillende MARROW-groepen. Hij vroeg dringend om bevoorrading, waaronder ondergoed, laarzen, tabak en fietsbanden.
Midden december beantwoordde de Nederlandse sectie dit verzoek door in één nacht tweeëndertig containers te droppen.
Kort voor Kerstmis 1942 informeerde de Nederlandse sectie EBENEZER en TRUMPET dat er in Londen een speciaal team werd samengesteld om Jambroes te helpen Nederland te verlaten. Dit team zou vroeg in het nieuwe jaar worden gedropt. EBENEZER en TRUMPET bevestigden de ontvangst van het bericht.
Dat markeerde het einde van 1942 en van mijn laatste greintje geloof in de veiligheid van de Nederlanders.
Ik had mijn rapport kunnen beperken tot vier woorden: "God helpe deze agenten."
In plaats daarvan schreef ik twaalf pagina's, ontdaan van elke emotie en reduceerde ik het tot vier paginas. Enkele van mijn zorgen kon ik beter mondeling toelichten. Veel zou afhangen van Nicholls' reacties op negatieve aanwijzingen en de inhoud van het Nederlandse berichtenverkeer. Mijn eigen conclusie was ondubbelzinnig. Ik vond de mate waarin de Nederlandse sectie op haar sleutelfiguren vertrouwde een totale ondermijning van de veldveiligheid. EBENEZER, BONI en TRUMPET waren feitelijk een centraal punt voor het Nederlandse berichtenverkeer geworden. Ze kenden niet alleen alle belangrijkste operaties, maar hadden in veel gevallen ook geholpen om deze te organiseren. Er leek geen enkele volledig onafhankelijke WT-operator in Nederland te zijn.
De potentiële schade beperkte zich niet tot WT-operators. Agentengroepen zoals MARROW, BEETROOT, CUCUMBER, CHIVE, CELERY, TURNIP en POTATO waren zo met elkaar verweven dat, als één van hen werd opgepakt, dit gevolgen kon hebben voor het verzet en Plan Holland. En zelfs als dit hypothetisch was, was er één onweerlegbaar feit: de druk waaronder de Nederlandse agenten werkten, was zwart op wit voor iedereen te zien. Ondanks verdrinkingen, mijnexplosies, ongelukjes tijdens droppingen, ondanks allerlei moeilijkheden, tegenslagen en frustraties, had geen enkele Nederlandse agent zoveel stress gehad dat hij een fout in zijn codering had gemaakt.
Het leek me onbetwistbaar dat de meerderheid van de berichten door de Duitsers waren verzonden, en dat de hoofdvraag niet langer was welke agenten gepakt waren, maar welke nog vrij waren. Ik besloot mijn rapport met deze constatering. Er was niets meer dat ik voor Nederland kon doen tot Nicholls terugkwam.
Tijdens mijn vier dagen en nachten van totale onderdompeling kwamen er slechts acht onleesbare berichten van de rest van alle andere SOE agenten.
De Nederlandse sectie was vastberadener dan ooit om Jambroes terug naar Londen te halen voor overleg. Vier agenten, die zich in de laatste fase van hun training bevonden, zouden tijdens de februari maan periode in Nederland parachuteren om hem te helpen de Spaanse ontsnappingsroute naar Frankrijk en België over te steken. Hun codenaam zou GOLF zijn (Wim van der Wilden (GOLF WT), Kist (HOCKEY), van Os (BROADBEAN) en Piet van der Wilden (TENNIS WT)), aangezien de N-sectie haar voorraad groente-codes had uitgeput. Ik zou het Golf-team binnen twee weken moeten inlichten. Berichten uit Nederland melden voortdurend de gestage vooruitgang van Jambroes' organisatie en de opbouw van het Geheime Leger. De codering was steeds perfect.
Nicholls, 'het nachtlampje' van de Verbindingsdienst directie keerde terug naar Baker Street en Heffer zette mij aan het hoofd van de lange rij die erop wachtte tot hem toegelaten te worden.
(Frederick William Nicholls, parent unit Royal Corps of Signals?,'born 27.5.1889 21 Holdenhurst Road, Bournemouth, Dorset?, son of Thomas Arthur and Sabina (nee Mapstone) Nicholls?. Infantry 1914 (Private)?'Royal Corps of Signals 1918 (Lt - Captain)?, Y Service 1919?.
Served in Russia, Afghanistan, Burma, Iraq, Persia, Palestine and India and France 1939-1940?. SOE (GSO 1 (Signals)) November 1942
(Lt Colonel)?, SOE Director of Signals 1.5.1943 - January 1946 (retired)?, T/Brigadier July 1944?. Retired to Wiltshire, married Jessie Jane Lindsay (died 1952)?'married Marjorie Emilie (Marianne) Tindall March 1955 (former SOE signals)?
Nicholls bezette een klein kantoor in Norgeby-House, waarvan ik hoopte dat het tijdelijk was. Hij nam mijn rapport van mij aan voordat ik goedemorgen kon zeggen en begon het direct te lezen. Hij werd een paar minuten later onderbroken door een oproep van CD die hem onmiddellijk wilde spreken. Hij beloofde het rapport tegen het einde van de dag af te ronden en mij te ontbieden zodra hij het had beoordeeld. Drie dagen later had ik nog steeds niets van hem gehoord. Het leek wel een eeuwigheid dat de jury zich beraadde. Toen hij mij uiteindelijk op de ochtend van de vierde dag ontbood, zat Heffer tegenover hem aandachtig toe te kijken. Mijn rapport, nu bedekt met aantekeningen in rode inkt, lag open op het bureau. Ernaast lag een grote grijze map met in blokletters "MOST SECRET" erop gedrukt. Ik kon me niet herinneren ooit eerder zo’n map bij SOE te hebben gezien. Naast de map lag een kaart (die ik aannam dat Nederland voorstelde) met overal gekleurde spelden in geprikt. Nicholls bestudeerde deze kaart met zijn ogen gesloten. Heffer bestudeerde Nicholls. Ik schoof wat naar voren en probeerde de aantekeningen in rode inkt te lezen. Ze zagen eruit als een spin die doodbloedde. Het was moeilijk te geloven dat ik een hoogopgeleid Verbindingsdienst-brein aan het werk zag, maar ik wist dat deze stilistische sluimering Nicholls op zijn meest productief was. Hij opende zijn ogen en stelde mij de eerste vraag: had ik vastgesteld of de Nederlandse WT-operators uitzonden vanaf hun gebruikelijke werkplekken of dat ze hun berichten vanaf nieuwe locaties verstuurden? Zo ja, welke waren dat? Het was niet eens in me opgekomen om richting zoekingen te doen en ik beloofde nooit meer kritiek te uiten op mijn Verbindingsdienst-collega’s voor hun eigenzinnigheid. Heffer knikte goedkeurend. Nicholls pakte zonder commentaar de grijze map op en las een lijst voor van WT-operators die eerder uitzonden vanuit Den Haag, Rotterdam en Amsterdam, maar die nu hun berichten verstuurden vanuit Eindhoven, Utrecht en Arnhem. Hij noemde de wijken in deze steden waaruit het verkeer werd verzonden, evenals de datum van elke uitzending. Deze precieze metingen konden onmogelijk afkomstig zijn van Grendon-Underwood, waarvan de plaatsbepaling faciliteiten rudimentair waren, en ik was nog nieuwsgieriger naar de bron van die map.
Was het mogelijk zulke extreem nauwkeurige peilingen te doen vanuit Engeland? Het zeer uitgebreide Duitse peilsysteem kon slechts een illegale zender binnen een cirkel van 20-25 kilometer bepalen.
Nicholls ging nu verder met het bagatelliseren van het belang van zijn ontdekking. Hij had al het Nederlandse radioverkeer gelezen en was ervan overtuigd dat de uitzendingen vanuit Eindhoven, Utrecht en Arnhem overeenkwamen met de rapporten van de agenten over hun verplaatsingen door Nederland. De nieuwe zendlocaties vormden daarom geen reden tot argwaan. Hij zou dit bevestigen met de Nederlandse sectie tijdens een algemene bespreking over de WT-situatie in Nederland. Ik moest mezelf bijna op de lip bijten om niet te interrumperen dat de ‘verplaatsingsrapporten’ over Nederland wel eens van de Duitsers konden komen en dat de nieuwe zendlocaties de verdenking juist aanzienlijk versterkten, maar een blik van Heffer waarschuwde me om Nicholls te laten uitpraten. Hij gaf toe dat het samenbrengen van drie agenten netwerken een verschrikkelijk veiligheidsrisico vormde, vooral op WT-gebied, maar hij betwijfelde of deze praktijk beperkt bleef tot de Nederlandse sectie. De Verbindingsdienst directie had echter geen zeggenschap over hoe een landensectie zijn agenten verspreidde, aangezien dit soort beslissingen in wezen operationeel van aard waren. Toch zou hij de landsectie waarschuwen voor de risico’s van WT-operators die in een positie verkeren om de signaal veiligheid van andere WT-netwerken in gevaar te brengen. Hij zou tijdens zijn algemene bespreking met de Nederlanders specifiek verwijzen naar EBENEZER, BONI en TRUMPET. Dit was de tweede keer dat hij sprak over een ‘algemene bespreking’ en het verontrustte me. Er was niets specifieks, behalve een gebrek aan onleesbare berichten, maar dat was nog niet eens genoemd. Een blik van Heffer waarschuwde me geduldig te blijven. Nicholls ging vervolgens met technische interesse in op het ongecodeerde taalbericht dat via BBC Radio Oranje naar Nederland was uitgezonden. Hoe en waarom gebruikte SOE deze berichten? Was er een standaardprocedure? Ik zei dat alle landensecties 'Voice of Freedom'-faciliteiten hadden van de BBC om in duidelijke taal codezinnen uit te zenden naar hun respectieve gebieden. De rivaliserende Franse secties waren de meest actieve omroepen en deelden een BBC-programma genaamd 'Les Français Parlent aux Français', wat zo ongeveer het enige was dat ze samen deden. Andere landensecties gebruikten vergelijkbare programma’s voor hetzelfde doel. Als een agent, zoals bijvoorbeeld Peter Churchill, een groot geldbedrag wilde lenen in het veld en de potentiële kredietverstrekker twijfelde of de Britse regering de schuld zou aflossen wanneer de oorlog voorbij was, kon Peter de kredietverstrekker uitnodigen om een zin te bedenken die alleen bij hen beiden bekend was. Vervolgens zou de BBC die zin uitzenden in 'Les Français Parlent aux Français'. Dit was meestal de enige bevestiging die de kredietverstrekker nodig had. Zinnen in gewone taal werden ook door de landensecties gebruikt voor laatste moment bevestigingen of annuleringen van op handen zijnde operaties. Mijn zorg over deze zinnen was dat hun formulering werd vastgelegd in gedicht-codes. Als de Duitsers ze opnamen en vergeleken met de codegroepen die zij onderschepten, zou dat de gedicht-code nog makkelijker te kraken maken.
Nicholls wees erop dat er erg veel taalzinnen waren en dat de Duitsers zeer bedreven zouden moeten zijn om precies te bepalen welke berichten ze moesten anagrammen. Ik vroeg of er enige reden was om aan te nemen dat ze die vaardigheid niet hadden. Hij antwoordde dat die reden er niet was, maar dat er alle reden was om aan te nemen dat ze niet genoeg mankracht hadden. Hij erkende het beveiligingsrisico, en ik zei dat de echte oplossing was om de gedichten-code te veranderen.
Hij herinnerde me er scherp aan dat dit niet het doel van de huidige bespreking was, en ik verontschuldigde me voor mijn irrelevante opmerking. Hij wierp toen een blik op mijn rapport en vroeg me met de vasthoudendheid van een stoomwals die kon vliegen, waarom ik een asterisk had geplaatst bij het en-clair-bericht van de Nederlandse sectie aan VINUS (Levinius van Looi) (ik was vergeten deze te wissen).
Ik legde uit dat het bericht bedoeld was om aan VINUS te bevestigen dat hij AKKIE (Andringa) aan het Comité van Verzet kon voorstellen. Als de Duitsers het verkeer aan het meelezen waren en AKKIE naar het Comité van Verzet werd gebracht, hoe ver zouden de Duitsers dan achter hem aan komen?
Nicholls benadrukte dat dit operationele zaken waren waarover de Nederlandse sectie moest beslissen en ging voorbij aan de vraag of het verkeer werd meegelezen. De verbindingsdienst directie kon zich niet bemoeien met het recht van de landen secties om via de BBC berichten aan haar agenten uit te zenden. Ik antwoordde dat ik me niet bezighield met het recht van de landensectie om uit te zenden, maar met de overlevingskansen van de agenten. Hij keek me nadenkend aan, en ik probeerde er een tekening van te maken. We wisten allebei dat het moment voor het hoofdonderdeel was aangebroken, en ik was gefascineerd door de manier waarop hij zich voorbereidde. Hij las en herlas de laatste pagina van mijn rapport, waarin de statistieken van de onleesbare berichten van andere landensecties waren opgenomen. Hij keek naar de speldjes die over de kaart verspreid lagen en leek naar één specifieke te zoeken. Hij raadpleegde zijn map en keek daarna weer naar de kaart. Hij probeerde niet de tijd te vertragen. Voor ons allemaal bij de Verbindingsdienst was hij de tijd. Maar vanaf het begin van de vergadering voelde ik een zekere innerlijke strijd bij Nicholls. Ik had ook het gevoel dat Heffer wist wat er aan de hand was. Ik wierp een blik op Heffer. Hij was verdiept in de gedachten van Nicholls. Nicholls sloot het rapport, de map en zijn ogen. Zijn volgende vraag opende de mijne: als een agent in het veld een onleesbaar bericht stuurde, beschouwde ik dat dan als bewijs dat hij niet gepakt was? Ik verzekerde hem dat ik dat niet deed. "Waarom probeer je in dat geval het tegenovergestelde te bewijzen?" Ik suggereerde respectvol dat deze vraag een vorm van sofisme was. "Een wat?" Ik citeerde het klassieke voorbeeld van een reductio ad absurdum: "Als een man met één haar kaal is, dan moet een man met tienduizend haren tienduizend keer zo kaal zijn." "Je hebt de vraag van de kolonel nog niet beantwoord," zei Heffer, zijn eerste bijdrage tot nu toe.
Voor ik antwoordde, probeerde ik me voor te stellen hoe het voelde om in een gevangeniscel in Nederland te zitten en te hopen dat iemand in Londen wakker was. Ik stelde Nicholls voor dat, wanneer een agent een onleesbaar bericht stuurde, ik dat niet zag als een bewijs van zijn goede gezondheid, maar als een indicatie dat zijn codeerniveau normaal was. Maar de Nederlanders gedroegen zich abnormaal naar de bekende standaarden van codegedrag, en ik had het erg laat opgemerkt. Als Nicholls het vertrouwen in mij had verloren, moest ik de gevolgen aanvaarden. Maar als hij nog enig vertrouwen had, moest hij accepteren dat er iets ernstig mis was in Nederland, want geen enkele Nederlandse agent had een fout in zijn codering gemaakt. Zo ernstig dat alleen de ondermaatse of de halfblinden de implicaties hiervan konden blijven negeren. Ik ontweek niet de vraag of de Duitsers het Nederlandse verkeer lazen. Ik smeekte om een antwoorden die me zouden overtuigen dat ze dat niet deden. Tot die antwoorden kwamen, zou ik blijven geloven dat de Duitsers ten minste een deel van het verkeer verstuurden, en niets zou me van die positie afbrengen, zeker geen polemiek. Ik kon aan Nicholls' gezicht niet aflezen of ik te veel of te weinig had gezegd. Heffer bestudeerde de kaart. Nicholls pakte zo abrupt de telefoon op dat ik me afvroeg of ik SOE zou verlaten op dezelfde manier als ik was aangekomen - onder gewapende escorte. Hij bestelde thee voor drie. Het zou ondrinkbaar zijn, maar het leek me niet het juiste moment om hem iets van moeders thee aan te bieden. Heffer vond het tijd om zich bij het gesprek aan te sluiten en stelde (typisch voor hem) de scherpzinnigste vraag tot nu toe: als de Duitsers het verkeer beheerden, deden ze dat zeer bekwaam - dus zou het hen toch moeten zijn opgevallen dat ze ons enkele onleesbare berichten moesten sturen om argwaan in Londen te voorkomen? Ik antwoordde dat wij misschien niet de enigen waren die fouten maakten. Ik wist ook niet met wat voor kaliber Duitsers we in Nederland te maken hadden of wie ze precies waren.
Zo achteloos alsof hij ons de datum vertelde, zei Nicholls dat we waarschijnlijk te maken hadden met Giskes.
(Hermann Joseph Giskes (28 september 1896 - Krefeld, 28 augustus 1977. Na de oorlog ging hij voor de spionage groep Gehlen werken.
in 1934 in dienst bij de Abwehr en wordt opgeleid tot meesterspion. In 1938 werd hij de chef van III-F in de rang van Oberstleutnant
(Overste), waarschijnlijk Ast-Hamburg bij Major Feldman . Bij het uitbreken van de oorlog is hij werkzaam bij Ast Münster en onderzoekt vandaar de Franse inlichtingendienst in Kopenhagen. Wordt naar Den Haag overgeplaatst dat al enige tijd geldt als een broedplaats voor spionage. De Britse MI6 was al gedurende 20 jaar bezig een spionage netwerk op te zetten en Giskes wordt er heen gezonden om het open te breken. Juni 1940 wordt hij naar Ast Paris III c 2 overgeplaatst tot augustus 1941. Giskes krijgt vervolgens een aanstelling in Den Haag op 15 augustus 1941. )
Een zeer ervaren inlichtingenofficier. Ik vroeg of Herr Giskes ervaring had met de manieren van de gedichtcode. Nicholls verzekerde me dat hij dat had en vroeg me uit te leggen waarom hij ons dan geen onleesbare berichten had gestuurd. Ik antwoordde dat Herr Giskes en zijn assistenten waarschijnlijk hadden besloten dat elke Verbindingsdienst-organisatie die dom genoeg was om de gedichtcode te gebruiken, waarschijnlijk niet slim genoeg zou zijn om de afwezigheid van onleesbare berichten op te merken en nog minder waarschijnlijk de juiste conclusies daaruit te kunnen trekken. Dat maakte een einde aan wat begon uit te lopen op een praatje. Met beide handen achter zijn hoofd gevouwen en eruitziend als een radiomast die op het punt stond zijn waarde te bewijzen, gaf Nicholls zijn slotverklaring.
Mijn rapport had zijn aandacht gevestigd op een potentieel rampzalige situatie met radiotelegrafie (WT) in Nederland, als dat niet al het geval was, en had hem heel wat stof tot nadenken gegeven. Hij was vooral bezorgd over het ontbreken van onleesbare berichten en kon daar geen verklaring voor bieden - maar kon nog steeds niet beslissen of ik er niet te veel gewicht aan gaf. Toch kon het zeker niet genegeerd worden, en hij was vooral bezorgd over de praktische stappen die nu konden worden genomen. We hadden nog steeds geen sluitend bewijs dat er agenten gevangen waren genomen. Ik kon zelfs niet aangeven hoeveel agenten ik vermoedde dat ze gepakt waren of hun namen specificeren. Ik kon alleen vraagtekens zetten bij enkele van hen, en vraagtekens waren niet genoeg voor een organisatie die niet was onderwezen in WT-beveiliging, een tekortkoming die hij binnenkort kon verhelpen. Het meest dringende probleem was dat, als mijn theorie klopte, alle Nederlandse agenten gevangen konden zijn genomen. Wat moest hij aanbevelen aan de Nederlandse sectie? Dat ze al hun operaties stopzetten of slechts enkele? En hoe lang? Totdat er meer tastbaar bewijs zou zijn gevonden door de verbindingsdienst-directie? Dat was gewoon niet haalbaar. Het meeste wat hij kon doen totdat dit bewijs werd gevonden, was de zorgen van de verbindingsdienst-directie over de algemene WT-situatie in Nederland benadrukken en de overbelasting van operaties zoals TRUMPET, BONI en EBENEZER. We zouden ook aandringen bij de Nederlandse sectie om uit te leggen welke stappen zij ondernamen om te bevestigen dat hun agenten niet gepakt waren. Maar als ik, of iemand anders, bij de verbindingsdienst iets vond dat als overtuigend bewijs kon worden beschouwd, zou hij het op het hoogste niveau aankaarten. Voor mij was hij het hoogste niveau, maar ik kwam niet ver. Ik vertelde hem dat ik heel graag de vroege codegroepen wilde onderzoeken die vóór
juni 1942 door de radiopost van C (homestation SIS) waren ontvangen en gedecodeerd, zodat ik de lengte van de sleutels kon vaststellen die de agenten hadden gekozen en kon zien of er significante veranderingen in hun coderingstijl waren opgetreden. Hij beloofde zijn best te doen en maakte een lange notitie in zijn blocnote, die onevenredig leek met het verzoek. Daarna ging hij verder met het ontwikkelen van zijn ideeën over het onderwijzen van de landensecties in verbindingsdienst-beveiliging, maar ik luisterde al niet meer. Nicholls had ons het compliment gegeven door hardop na te denken, en ik reageerde daarop door over hem na te denken. De breedte van zijn kennis was buitengewoon. Hij wist waar informatie over de locaties van WT-sites te vinden was, hij kende de nieuwste technieken voor plaatsbepaling, en hij kende Giskes’ naam. Ik bewonderde hem meer dan ooit en hij wist dat waarschijnlijk ook. Toch waren bijna al zijn observaties gericht vanuit het perspectief van een verbindingsexpert, waarbij codes op de tweede plaats kwamen. En ik was ervan overtuigd dat er iets was met betrekking tot de Nederlanders dat hem enorm bezighield, maar dat hij niet in mijn bijzijn zou noemen. Misschien moest hij wel controller van de verbindingsdienst worden voordat hij zich minder zorgen zou maken over de jurisdictie van zijn directie. Nicholls wisselde een lange blik met Heffer en vertelde me dat hij nog één ding te zeggen had. Ik moest vanmiddag om vier uur bij hem terugkomen voor een heel belangrijke vergadering. Ik probeerde uit te leggen dat dit mijn laatste kans was om met enkele nieuwe codeurs te spreken voordat ze naar Grendon-Underwood werden gestuurd. "Dan is het hun geluksdag, want je zult het kort moeten houden. Vier uur stipt alsjeblieft!" Hij beval me vervolgens om de Nederlanders niets te zeggen over mijn vermoedens totdat de gronden ervoor steviger waren. De bewijslast lag opnieuw bij mij. Ik kon niet inschatten wat SOE als niet louter speculatief zou beschouwen. Een ontvangstbewijs van Giskes voor de Nederlandse agenten misschien?
Het Verbindingsdienst Directorate had meer afdelingen dan de meeste directoraten leden hadden en was veruit de grootste groep binnen SOE. De 'belangrijke vergadering' die door Nicholls was bijeengeroepen, werd bijgewoond door vertegenwoordigers van de belangrijkste takken ervan. Iedereen binnen de Verbindingsdienst was een expert op een bepaald gebied van communicatie. Er waren de commandanten van Station-52 (de trainingsschool voor agenten), Station-53 (Grendon), en Station-54 (de trainingsschool voor het Verbindingsdienstpersoneel).
Nicholls kwam vijf minuten later binnen en sprak ons toe met het zelfvertrouwen waarmee hij alles aanpakte, behalve codes. Hij maakte duidelijk dat de vergadering twee doelen had. Het eerste doel was om ons te verenigen. Het tweede doel was ervoor te zorgen dat we allemaal de redenen begrepen achter de grote veranderingen die op het punt stonden doorgevoerd te worden. Vervolgens schetste hij wat deze veranderingen inhielden.
Vanaf februari 1943 zouden de berichten van 'agenten' niet langer worden ontvangen en verspreid door Dansey’s distributieafdeling. Ze zouden worden verspreid door een nieuw gevormd Verbindingsdienst Hoofdkantoor in kamer 52 van Norgeby House. Nicholls ging verder met een gedetailleerde beschrijving van de werking en functie van dit nieuwe Verbindingsdienstkantoor. Het zou dag en nacht bemand worden door Verbindingsdienst meesters en FANY's en zou dienen als verzamelpunt voor al het verkeer van agenten. Het zou te allen tijde toegankelijk zijn voor de landensecties, die werden aangemoedigd het kantoor te bezoeken. De senior supervisor zou hun vragen behandelen en namens hen contact onderhouden met de relevante Verbindingsdienst afdelingen.
De volgende grote verandering betrof Grendon. Het zou het Nederlandse verkeer overdragen aan Station-53B zodra dit in maart geopend werd. Dit zou Herr Giskes geen ongemak mogen bezorgen.
Alsof hij deze gedachte oppikte, kondigde Nicholls aan dat er nieuwe peilapparatuur zou worden geïnstalleerd waarmee Grendon en Poundon nauwkeurige metingen konden uitvoeren van zendersites van WT operaties.
Als extra voorzorgsmaatregel zouden alle nieuwe WT-operators een 'vingerafdruk' worden genomen, zodat we een nauwkeurig overzicht kregen van hun morse stijlen. Er zou een nieuw type WT-set worden geproduceerd door Station-9. Deze set zou een krachtige generator hebben, waardoor een operator kon uitzenden zonder gebruik te maken van stroom van het elektriciteitsnet, die door de vijand kon worden gedetecteerd.
De frequentie planning afdeling had de opdracht gekregen om nieuwe signaalplannen op te stellen waarmee operators hun frequenties en zendtijden konden variëren. De BBC 'en-clear' uitzendingen konden in de toekomst worden gecontroleerd door majoor Buxton, die zou worden aangesteld als SOE's liaisonofficier bij de BBC.
De OSS was van plan om onder auspiciën van de SOE een eigen WT-station te starten, en wij moesten de Amerikanen daarbij zoveel mogelijk ondersteuning bieden.
Een apparaat genaamd een 'squirt'-zender was nu in productie. Dit zou agenten in staat stellen berichten met zeer hoge snelheid morsesignalen uit te zenden. De vijand zou het moeilijk vinden om 'squirt'-verkeer te onderscheppen, tenzij zij over vergelijkbare apparatuur beschikten.
Afgezonderd zoals altijd, dwaalde ik af - en belandde in Nederland. Geen van deze innovaties, hoe uitstekend ook, zou mij helpen om te bewijzen dat ook maar één enkele Nederlandse agent was gepakt. Zelfs de vroege Nederlandse codegroepen, als Bletchley ze ooit zou produceren, zouden waarschijnlijk niet bewijzen dat Herr Giskes de vaste penvriend van de SOE was.
Een Veiligheid and Planning kantoor zou worden opgezet in Norgeby House. De voornaamste functie zou zijn om de veiligheid van het verkeer van agenten te monitoren. Ik hoopte dat wie dat ook zou doen, een moment kon vrijmaken voor de Nederlanders, want ik was ongeveer net zo nuttig voor hen als een 'squirt'-zender zonder squirt. Het antwoord lag niet in verder onderzoek, maar in het in gang zetten van iets. Maar wat? Zouden we een val kunnen zetten voor de Duitsers? Kunnen we ze een kans geven om een fout te maken zonder dat ze argwaan krijgen? Kunnen we de codeoorlog naar hen brengen?
Ik viel in de val om te proberen een ‘Plan Giskes’ te bedenken terwijl Nicholls door bleef praten en opeens realiseerde ik mij dat er iets veranderd was in de kamer. Het was volledig stil. De proclamatie was voorbij en iedereen keek naar mij! Had ik hardop gedacht? Ik wierp een snelle blik op Nicholls. Hij was niet precies boos, maar zijn zucht was een windvlaag die ik tot in mijn botten voelde. "Voor degenen achterin die me misschien niet hebben gehoord," zei hij, "zal ik herhalen wat ik zojuist heb aangekondigd."
Vanaf februari (1943) zouden agentencodes volledig gescheiden worden van de mainline-codes. De twee afdelingen zouden als aparte eenheden functioneren. Mainline-codes zouden onder controle blijven van kapitein Dansey, bijgestaan door luitenant Owen. Codes voor agenten zouden onder de verantwoordelijkheid vallen van DYC/M, die rechtstreeks zou rapporteren aan het hoofd van de Verbindingsdienst. DYC/M zou in februari verhuizen naar Norgeby House. Een van zijn functies zou zijn om als veldcode-vertegenwoordiger te werken in het Veiligheid en Planning kantoor. Het symbool van DYC/M zou ongewijzigd blijven wanneer hij zijn nieuwe functie als hoofd van agentencodes op zich nam. Ik realiseerde me ineens: ik was DYC/M!

Norgeby House, Bakerstreet.
In Norgeby House was mevrouw Molly Brewis een forse vrouw met een rood gezicht, die kettingrookte en vloeiend Italiaans en Nederlands sprak. Haar taak was om contact te onderhouden met de landensecties bij het voorbereiden van frequentie schema's .
Een stroom van perfect gecodeerde berichten kwam binnen van EBENEZER (Louwers), TRUMPET (Jordaan) en BONI (Buizer), waarin de Nederlandse sectie precies datgene werd verteld wat zij het liefst wilde horen. De opbouw van het Geheim Leger verliep gestaag. AKKIE (Andringa) had contact met de Raad van Verzet en ontvangstcomités werden voorbereid om het GOLF-team te ontvangen, dat Jambroes via de Franse en Belgische ontsnappingsroutes naar Spanje zou begeleiden. Deze ontsnappingsroutes, met name de Belgische, waren levenslijnen, niet alleen voor de agenten van de SOE, maar ook voor geallieerde piloten die achter vijandelijke linies gestrand waren. Als de Nederlandse agenten ontmaskerd zouden worden, konden ook de ontsnappingsroutes worden geïnfiltreerd, en de schade zou niet te overzien zijn. Maar ik kon nog steeds niet leveren wat de SOE als bewijs zou beschouwen dat ook maar één Nederlandse agent was gepakt. Evenmin kon ik een manier bedenken om Herr Giskes in de val te lokken.
C (Stewart Menzies, SIS) en SOE concurreerden om de samenwerking met OSS, en in een poging het grootste deel daarvan binnen te halen, had CD (Charles Hambro) een telegram in de hoofdcode gestuurd naar Bill Stevenson, onze man in Washington, met het verzoek het te laten zien aan Bill Donovan, het hoofd van de OSS:
"SOE ZAL UITERLIJK IN FEBRUARI KLAAR ZIJN OM OPERATIES IN FRANKRIJK, SCANDINAVIË EN DE LAGE LANDEN UIT TE VOEREN, EN IK BEN ERVAN OVERTUIGD DAT DE FEBRUARI-MAAN, DIE OP DE 14E VAN DE MAAND BEGINT, HET KEERPUNT ZAL MARKEREN IN HET EUROPESE VERZET."
Ik deed mijn uiterste best om niet te schreeuwen. "Begrijpt CD niet dat de veiligheid in de Lage Landen niet slechter dan slecht kan zijn?"
Een val opzetten voor Giskes was op zichzelf al een val; er kon zoveel misgaan. Ik was ervan overtuigd dat terwijl ik een gedreun in mijn hoofd had, de Nederlandse agenten cirkelzagen tussen hun tanden kregen. Het was moeilijk om onbevooroordeeld te denken. Toch was dat juist nu meer dan ooit nodig. Het grootste probleem was de reactie van mijn superieuren op 'Plan Giskes'. Er was ook een moreel dilemma: had ik het recht om het leven van gevangen agenten op het spel te zetten, die voor Giskes geen nut meer zouden hebben als hij doorzag dat we vermoedden dat ze waren gecompromitteerd? Ik had dringend technische begeleiding nodig van Nicholls en Heffer, maar ik durfde het hen niet te vragen. Zodra ze wisten wat het plan inhield, zouden ze verplicht zijn CD en Gubbins (en waarschijnlijk de Nederlanders) om toestemming te vragen, en het zou veiliger zijn om die toestemming van Giskes zelf te vragen.
Toch was er bepaalde informatie die ik nodig had, en als ik die niet kon krijgen door hersens te kraken, zou ik misschien sloten moeten kraken. Er lag een document in Nicholls' bureau dat ik vastbesloten was te bekijken. Tijdens een kritisch debat met hem over de perfectie van de codering van de Nederlandse agenten had hij herhaaldelijk gekeken naar een opvallende grijze map, anders dan welke ik ooit eerder bij de SOE had gezien. Door in deze map te kijken, had hij met grote stelligheid kunnen verklaren dat de Nederlandse WT-operaties, die eerder vanuit Den Haag, Rotterdam en Amsterdam uitzonden, hun berichten nu vanuit Eindhoven, Utrecht en Arnhem verstuurden (zoals hun boodschappen aangaven). Hij had ook de wijken in deze steden kunnen lokaliseren van waaruit het verkeer werd verzonden, evenals de datums, tijden en frequenties van elke uitzending. Ik had me sindsdien afgevraagd waar die map vandaan kwam, maar nu moest ik meer doen dan alleen me afvragen. Het was essentieel om niet alleen de herkomst van de map te achterhalen, maar ook welke andere informatie deze bevatte. Mijn enige magere hoop (afgezien van kleine diefstal) waren de 'dreigingen' met wie ik verplicht was een kantoor te delen. Ik wierp een blik op hen terwijl ze zich in hun territorium ophielden, zich voorbereidend op een sessie met Nicholls. Het zou nutteloos zijn om hen rechtstreeks iets te vragen, want ze gaven nooit vrijwillig iets prijs wat hij niet wilde dat ik wist; ik moest een ‘Plan Dreiging’ bedenken. In het kantoor zag ik niet slechts één opvallende grijze map, maar een hele stapel ervan, die in de armen van de 'dreigingen' naar mij toe werden gedragen, dat waren de veiligste kluizen van Baker Street. Ik hield de deur voor hen open en maakte van hun verbazing gebruik om mijn kans te grijpen. Ik richtte me op mevrouw Brewis, de meest moederlijke van de twee, en vroeg of de mappen uit de kantoorartikelenafdeling kwamen, omdat ze vakken hadden en handig zouden zijn om WOK’s in te dragen, mocht dat ooit nodig zijn. Ze zei dat ze hoopte dat dat zou gebeuren, maar nee, ze kwamen niet van de kantoorartikelenafdeling. Nicholls had er echter zoveel gebruik van gemaakt toen hij bij Y werkte, dat ze misschien binnenkort wel daar zouden verschijnen. Na een scherpe blik van haar zuster 'Dreiging' verliet mevrouw Brewis de kamer in een toestand van schaamte. Ze had me de grootste tip gegeven die ooit door een portier was ontvangen, maar ik had enige moeite om die te besteden, aangezien ik nog nooit van Y had gehoord, laat staan dat ik wist dat Nicholls daar had gewerkt. De persoon die mij over Y kon informeren, verscheen niet eerder dan nadat de 'Dreigingen' waren vertrokken, en zijn timing liet hem vandaag ook niet in de steek.
Toen Heffer zoals gebruikelijk in slow motion de kamer binnenkwam, vroeg ik hem onmiddellijk wat Y deed. Zoals alle goeroes kon hij alleen door andere goeroes worden verrast, maar hij moest zich een moment verschuilen achter zijn uitdrukking van 'wat hebben we hier'. "Wel, wel" zei hij. Er viel een lange stilte terwijl hij een sigaret aanstak en uit het raam keek naar de lagere regionen van Norgeby House. Het was onmogelijk te zeggen of hij van plan was te antwoorden. "Wel, wel," herhaalde hij en hield me nog een paar trekjes langer in spanning. Twintig minuten en evenveel verrassingen later wist ik dat ik mijn eerste verstandige vraag van 1943 had gesteld.
In de vroege jaren dertig, toen Top Secret werkelijk betekende wat het zei, stond Y bovenaan de lijst van Top Secret-projecten en bestond officieel niet. Y was gespecialiseerd in het registreren van diplomatiek, militair en ander gevoelig draadloos verkeer via een wereldwijd netwerk van luisterposten en het monitoren van kabel- en draadloos verkeer vanuit ambassades. Vanwege de aard van het werk werd Y bemand door technici van uitzonderlijk hoog niveau, van wie velen werden gerekruteerd uit de gelederen van ingenieurs van de Postdienst.
Y werkte nauw samen met C (SIS/MI-6, Menzies), maar was een onafhankelijke tak onder controle van de hoofd-signalmaster van het Royal Corps of Signals. Heffer zei dit met merkbare trots. Nicholls was sinds het midden van de jaren dertig lid van Y en verantwoordelijk voor het opzetten van buitenposten in Palestina en India.
In 1938 had Y met speciaal apparatuur, die nog steeds op de geheime lijst stond, hogesnelheid Russisch radioverkeer kunnen onderscheppen. Heffer wees erop dat Moskou, vanwege de enorme omvang van Rusland en de gebrekkige communicatie, bijna volledig afhankelijk was van draadloze communicatie om contact te onderhouden met de buitengebieden. In datzelfde jaar (1938) had Y het draadloze verkeer van de Duitse strijdkrachten gemonitord, terwijl Hitler nog steeds zijn vreedzame bedoelingen verklaarde. Het toenmalige hoofd van Y had Churchill persoonlijk geïnformeerd over de militaire opbouw, maar de grote man bekleedde nog geen ambt en niemand nam hem serieus, behalve Hitler. Kort na de briefing donderde Churchill een waarschuwing richting het Parlement, zonder zijn bronnen prijs te geven. Y's impact op de oorlog was onmiddellijk, enorm en aanhoudend. Mij waarschuwend dat hij slechts de randen van haar activiteiten kende, zei Heffer dat Y enorme hoeveelheden vijandelijk en geallieerd verkeer met gelijke onverschilligheid monitorde, de slagplannen van Panzer-divisies voorspelde aan de hand van het verkeersvolume tussen eenheden, en de radioberichten van Duitse agenten registreerde terwijl ze nog oefenden op hun trainingsscholen in het vaderland. Kijkend naar mijn rommelige bureau voegde Heffer eraan toe dat Y ook deskundig was in het detecteren van 'dummy'-verkeer dat voor misleiding doeleinden werd gebruikt. Kijkend naar mijn prullenmand merkte hij op dat Y al het radio-verkeer registreerde en het bewaarde voor latere referentie, hoe onbelangrijk het op dat moment ook leek. Terwijl hij een rookkring uitblies - een waarschuwing dat er iets bijzonder belangrijks op het punt stond te worden onthuld - vertelde hij me dat Y het meeste van het onderschepte materiaal naar Bletchley stuurde voor ontcijfering, of naar C voor informatie. Toegang tot Y's archief was strikt beperkt tot Britse organisaties, omdat het zowel geallieerd als vijandelijk verkeer registreerde. Als het Y’s beleid was om al het verkeer te loggen ‘hoe onbelangrijk het op dat moment ook leek’, dan zouden er ergens in het gigantische archief kopieën kunnen zijn van de vroege Nederlandse codegroepen die C naar ons beweerde te hebben gestuurd. Ik vroeg Heffer ronduit hoe lang het zou duren om een afspraak met Y te regelen. Hij vertelde me dat zo’n afspraak uitgesloten was, dat Y nooit zaken deed met polyglotte organisaties zoals SOE en dat ik voor ons beider bestwil het hele gesprek onmiddellijk moest vergeten. Waarom had hij me dan zo gedetailleerd over Y verteld als ik er geen enkel gebruik van kon maken? Was er iets dat hij me per se wilde laten weten, dat hij in goeroestijl had verstopt tussen zijn terloopse opmerkingen? Zo ja, wat was dat dan? En zo ja, plus één, wat was er zo verkeerd aan om een paar vragen aan Y te willen stellen?
Tenzij ik de situatie in Nederland verkeerd had ingeschat, was ik onderweg om vier Nederlandse agenten te ontmoeten die al op voorhand verraden waren. In de afgelopen twee maanden waren er elf berichten over hun aanstaande dropping uitgewisseld tussen Londen en TRUMPET (Jordaan) en BONI (Buizer), die bovenaan mijn lijst van verdachte operatoren stonden. Het netwerk van TRUMPET was nu bezig met het organiseren van hun landingsplaatsen en ontvangstcommissies. De ongrijpbare Jambroes zou reikhalzend naar hen uitkijken, maar de even ongrijpbare Giskes waarschijnlijk ook.
Nicholls had duidelijke opvattingen (die ik had ingewonnen) over de beste manier om het GOLF-team te behandelen: het moest in alle opzichten een normale briefing zijn, en de agenten mochten op geen enkele manier vermoeden dat wij bijzondere zorgen over hen hadden. Ik mocht hen ook geen codeconventies of veiligheidschecks geven die nog niet in gebruik waren in Nederland, want als de agenten gevangen zouden worden genomen en deze zouden moeten onthullen, zouden de Duitsers wellicht argwaan krijgen over Nederlandse agenten in het algemeen. Hij stemde ermee in dat elk lid van het GOLF-team een set vragen met vooraf afgesproken antwoorden kon krijgen, en hij zou de Nederlandse sectie vragen deze meteen voor te bereiden zodat de agenten de tijd hadden om ze uit hun hoofd te leren. Hij zou duidelijk maken dat hetzelfde verzoek werd gedaan aan alle landenafdelingen, zodat de Nederlanders zich niet buitengewoon behandeld voelden. Ik stelde voor ervoor te zorgen dat het GOLF-team elkaars vragen niet zou te horen krijgen.
Ik voelde zo’n zeldzaam gevoel van zekerheid toen hij sprak over ‘onze zorgen… onze vermoedens’ dat ik hem bijna ‘Plan Giskes’ had onthuld, maar de Executive Council had hem net op tijd ontboden.
De briefing zou plaatsvinden in Bickenhall Mansions, een paar spijtbetuigingen verwijderd van Chiltern Court. Majoor Blizzard en de kapiteins Bingham en Killick, de drie mensen die ik het liefst wilde vermijden, kwamen net de briefingruimte uit toen ik aankwam. Ze werden begeleid, of begeleidden zelf, kolonel Elder Wills, die bij elke briefing de hoofdrol speelde. Hij was de commandant van de Thatched Barn in Barnet, waar hij en zijn getalenteerde technici - sommigen van hen voormalige gevangenen - grote hoeveelheden valuta, reispassen en werkvergunningen vervalsten, zodat agenten zoals het GOLF-team konden overleven in bezet Europa, totdat ze uiteindelijk ten onder gingen aan de gedichten-code. Hij en ik kenden elkaar slechts van oogbewegingen, maar hadden nooit gesproken - een prestatie waarvoor wij geen reden zagen om te veranderen. Na een fluistergesprek waarin ik hem het magische woord 'Gulden' hoorde uitspreken, vertrok hij. Kapitein Killick was de eerste die mij opmerkte en gaf het heuglijke nieuws door aan zijn collega’s. Dit was de eerste keer dat ik hen als groep onder ogen kwam, en samenhang was wat ze uitstraalden. Niets kon hen overtuigen dat hun communicatie was verraden, en als ik hen had verteld dat geen van hun agenten ooit een fout had gemaakt in zijn codering, zouden ze een bericht naar het veld hebben gestuurd met de vraag waarom niet. Blizzard bedankte me dat ik op zo’n korte termijn was gekomen, en Bingham vroeg of ik koffie wilde - een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de ondoordringbare koppigheid waarmee hij had gereageerd op mijn talloze telefoontjes over de veiligheidschecks van EBENEZER (Louwers). Ik sloeg de koffie af, aangezien ik die al eerder had geproefd, en vroeg hoe lang ik zou krijgen met de vier GOLFERS. Blizzard en Killick wisselden verbaasde blikken uit, en Bingham legde uiteindelijk uit dat er geen vier GOLFERS waren, zoals ik het had genoemd. GOLF was de codenaam voor BROADBEAN’s (van Os) WT-operator (W. van der Wilden), en de andere twee agenten die ik zou briefen, waren HOCKEY (Kist) en TENNIS (P. van der Wilden). Ze hadden gemeenschappelijke doelen, maar zouden onafhankelijk opereren. Ik verontschuldigde me voor mijn vergissing en bleef hen in gedachten als het GOLF-team zien. Maar het was Bingham die mij aanvankelijk op het verkeerde been had gezet, en dat was niet voor het eerst. Zonder adem te halen (wat ik hem niet kwalijk kon nemen, gezien hoe onaangenaam dat was), ratelde hij de codenamen, veldnamen en echte namen van de vier agenten op en zei dat ze op mij wachtten in de briefingruimte. Dit was het moment waar ik zo tegenop had gezien. Ik had een speciale voorstelling voorbereid voor het GOLF-team en wist niet zeker of ik die goed kon uitvoeren. Nog minder zeker was ik of ik het recht had om dat te doen. Blizzard vroeg of ik wilde dat Bingham of Killick bij de
briefing aanwezig zou zijn. Als ik zijn aanbod aannam, kon ik mijn plan niet voortzetten en ik stond op het punt om bijna "Ja, graag" te zeggen, maar in plaats daarvan zei ik dat, zolang de vier van hen Engels spraken, ik dacht dat ik er beter aan deed alleen met hen te zijn. Hij stemde hiermee in. Ik haastte me naar de briefingkamer voordat een van ons van gedachten kon veranderen, maar bleef buiten de deur even staan om te overdenken waar ik me aan ging wagen...
Het doel van de bijeenkomst van vandaag ging niet om de vier agenten. Het ging Giskes zelf. Tot nu toe hadden we onze langdurige penvriend geen enkele reden gegeven om iemand binnen de Verbindingsdienst-directie te zien als competent genoeg om een val voor hem op te zetten. We gebruikten nog steeds de gedichten-code, vertrouwden nog steeds op de veiligheidscontroles en stuurden hem nog steeds topgeheime informatie. Het was essentieel voor 'Plan Giskes' dat hij bleef geloven dat hij met incompetenten te maken had, en een manier om hem die geruststelling te geven was via de vier agenten die op hun briefing wachtten. Ik kon hun gevangenneming niet voorkomen, maar als ze door Giskes werden ondervraagd over hun laatste codebriefing, kon mijn gedrag in het komende uur veel doen om eventuele vermoedens die hij zou hebben bij de lancering van 'Plan Giskes' te verminderen.
Simpel gezegd, de ideale indruk die ze hem zouden geven was dat ik overkwam als onervaren, ongeïnspireerd en wat het Nederlandse equivalent ook maar was voor een beetje een eikel. Ik stapte naar binnen, zei: "Goedemorgen heren, of is het al goedemiddag, mooi weer om te coderen", of iets even onbenulligs, liep vervolgens naar het bureau van de briefingofficier, veegde wat stof van de stoel, nog wat meer van het bureau, kondigde aan dat ik allergisch was voor stof en niesde drie keer om het te bevestigen. Het opruimen duurde een paar minuten, daarna ging ik met mijn benen over een stoel zitten en keek hen aan. Hun namen waren Kapitein Jan Kist (Hockey), Luitenant Gerard van Os (Broadbean), Luitenant Willem van der Wilden (Golf) en Luitenant Pieter Wouters (Pieter van der Wilden) (Tennis).
Maar het komende uur, waarvan ik zou proberen te zorgen dat ze het niet zouden vergeten, hadden hun activiteiten in het veld geen relevantie. Zij hadden hun missies; ik de mijne. Alle vier leken ze heel ontspannen en hadden duidelijk genoten van hun sessie met Wills. Ze hadden geen idee wat hen te wachten stond. Om ze rustig te laten wennen, deed ik veel moeite om mijn aktetas open te maken en daarin naar iets van het allergrootste belang te zoeken. Ze leken enigszins verbaasd toen ik alleen een exemplaar van The Times tevoorschijn haalde, dat ik met veel ceremonie op het bureau uitspreidde. Het was een waardevol rekwisiet dat ik binnenkort van plan was te gebruiken. Ik begon mijn "codeercabaret" door te vragen of ze genoeg ruitjespapier hadden, hoewel er stapels van zichtbaar waren; of hun potloden goed geslepen waren, wat duidelijk het geval was; en of het licht goed genoeg was, wat het natuurlijk ook was. Vervolgens vroeg ik hen een bericht van 250 letters te coderen - nee, laten we het 300 maken, waarom ook niet? - en wachtte tot ze begonnen voordat ik hen vertelde geen ruitjespapier te gebruiken, want misschien hadden ze dat niet in het veld, of wel? Ze keken elkaar aan terwijl ze hun eigen lijnen trokken. Ik was al bekend met hun coderingsstijl, aangezien ik oefenberichten van de trainingsschool had opgevraagd. Deze toonden aan dat alle vier bovengemiddelde codeurs waren, en dat Willem van der Wilden zijn sleutelzinnen meestal begon met een woord uit het begin van zijn gedicht, terwijl Pieter Wouters (Pieter van der Wilden) een woord van het einde koos. Kist en Van Os hadden geen patroon ontwikkeld dat ik kon herkennen. Eén op de twaalf van hun berichten was onleesbaar, en ik sprak een stille briefingkamergebed uit dat ze onleesbare berichten zouden blijven sturen wanneer ze in het veld waren. Ze wierpen me een lichte blik van amusement toe terwijl ik met gefronst gezicht mijn weg baande door de kruiswoordpuzzel van The Times en raakten maar een klein beetje afgeleid toen ik hem hardop begon te maken. Ik vroeg om hun hulp met 'één horizontaal, gewoon om me op weg te helpen', maar niemand gaf antwoord. Toen vroeg ik of ze goed waren in anagrammen, want ik was daar zelf hopeloos in. Van Os mompelde iets wat klonk als "Anna wie?" en begon opnieuw met zijn transpositie. Ik verontschuldigde me voor het storen, "Maar je zult eraan moeten wennen in het veld, hoor," en hervatte mijn worsteling met één horizontaal. Ik zat niet zo vast als ik hoopte te lijken, omdat ik de puzzel zelf had gemaakt, een betaalde hobby die ik op St. Paul's had ontwikkeld als vervanging voor huiswerk. Met mijn incompetentie in anagrammen hopelijk duidelijk aangetoond (voor Giskes' voordeel, een cryptograaf die geen anagrammen kan maken is als een automobilist die niet kan sturen), stond ik op van het bureau en brak een fundamentele regel van briefen door over hun schouders mee te kijken. Ik maakte goedkeurend knorrende geluiden en gaf aanmoedigingen terwijl ze nog bezig waren met het coderen. Deze geluiden, zo vreemd voor mij, werden onderbroken door de telefoon. Het was de supervisor van het Verbindingsdienst kantoor die me vertelde dat twee berichten zojuist waren geannuleerd, één naar een Belgische agent en het andere naar een Deense agent. Willem van der Wilden was de eerste GOLFER die de achttiende hole bereikte, kort daarna gevolgd door Van Os, Jan Kist en Pieter Wouters (Pieter van der Wilden). Ik verzamelde hun werk en vroeg hen elkaars berichten te controleren, want als ik ze zelf zou controleren, zouden we er
de hele nacht zitten. Vervolgens herverdeelde ik de berichten zorgvuldig, terwijl ik eraan dacht dat de grote Spencer Tracy altijd onder acteerde. Ik toonde dus geen enkele verbazing toen we ontdekten dat ik 'per ongeluk' elke agent zijn eigen bericht had gegeven om te controleren! Toen dit eindelijk was opgelost, bleek er één bericht te ontbreken. Ik had het 'per ongeluk' op de grond laten vallen. Ik verontschuldigde me en zei dat ik het nog niet helemaal onder de knie had, aangezien ik pas een week of twee hoofd van codering was (essentieel voor Giskes om te weten dat hij met een nieuweling te maken had), maar dat ik er zeker van was dat ik het snel zou oppakken. Met nog wat tijd over, liep ik achter hen langs om hun controles te controleren. Ze zouden uitstekende codeurs zijn geweest, als ze de kans hadden gekregen. Het enige wat nog restte, was de grote finale, die waarschijnlijk niet veel enthousiasme bij het publiek zou achterlaten. Ik kondigde aan dat ik een lijst met veiligheidsregels zou voorlezen, maar dat ze geduld moesten hebben, omdat sommige ervan nieuw voor mij waren. Vervolgens haalde ik twee vellen folio-papier uit mijn aktetas en begon hen een uitgebreide versie van het gebruikelijke veiligheidsdocument op te dringen, waarbij ik af en toe mijn excuses aanbood voor de moeite die ik had om mijn eigen handschrift te ontcijferen. Zodra ik klaar was, bood ik aan de lijst opnieuw voor te lezen, en voordat ze konden weigeren, begon ik er alweer doorheen te racen. Deze keer benadrukte ik alle punten die ze moesten weten als ze hun eigen codering mochten doen zodra ze in Nederland waren geland - pauzerend op een geschikt moment om te zeggen dat ik één horizontaal had opgelost. Ik had ze al een uur en tien minuten beziggehouden en merkte op hoe snel de tijd was voorbijgegaan. Tot slot vroeg ik of ze nog vragen hadden. Ze keken me zwijgend aan en schudden hun hoofd, maar hun gezichtsuitdrukkingen verrieden wat ze dolgraag wilden vragen. Het was de oudste vraag die de mensheid kent: "Welke kont heb jij gekust om deze baan te krijgen?" Ik nam vrolijk afscheid van hen en liep naar de deur. Dit was misschien wel mijn meest succesvolle briefing.
Naar Vervolg 2.
weggum.com

Van Looi werd in 1943 gearresteerd en overleefde concentratiekamp Buchenwald.